Rasstandaard

Hieronder volgt de rasstandaard van de Basset Hound zoals overeengekomen, tussen de 6 rasverenigingen en sub-commissie "Ras-standaard en Stamboek" van het comité van de Kennel Club, op een vergadering gehouden op 18-09-1985.


Algemene kenmerken:
Een laagbenige hound van aanzienlijke substantie, evenwichtig gebouwd en met veel adel. Een matig losse huid is wenselijk.


Karaktereigenschappen:
Taaie, vasthoudende hound van zeer oude afkomst die jaagt op de neus met een meute-instinkt, een diepe melodieuze stem en een groot uithoudingsvermogen in het veld.


Temperament:
Rustig, nooit agressief of terughoudend. Aanhankelijk.


Hoofd en schedel:
Gewelfd met een lichte stop en een opvallende achterhoofdsknobbel (occiput); matig breed over het voorhoofd en naar de snuit toe licht smaller wordend. Het algemene voorkomen van de snuit is slank, doch niet spits. De bovenlijn van de snuit en die van de schedel, van stop tot occiput, lopen nagenoeg evenwijdig. Er kunnen lichte rinpels voorkomen op het voorhoofd en naast de ogen. In ieder geval moet de hoofdhuid zo los zijn dat, als de huis naar voren getrokken of het hoofd voorover gebogen wordt er duidelijk rimpels onstaan. De bovenlippen vallen ruim over de onderlippen heen. De neus geheel zwart, behalve bij licht gekleurde honden waar de neus bruin of leverkleurig mag zijn. De neusvleugels zijn wijd geopend en mogen iets voorbij de bovenlippen uitsteken.


Ogen:
Ruitvormig, noch uitpuilend (bol) noch te diep liggend, donker van kleur, maar mogen middelbruin zijn bij licht gekleurde honden. De uitdrukking is ernstig en kalm. Het bindvlies van het onderste ooglid is zichtbaar doch niet overdreven. Lichte of gele ogen zijn zeer ongewenst.


Oren:
Laag aangezet, juist onder de ooglijn. Lang, reikend tot ruim voorbij de snuit, van juiste lengte maar niet overdreven, smal over de gehele lengte en goed naar binnen draaiend, zeer soepel, dun en fluwelig.


Gebit:
Sterke kaken met een perfekt regelmatig en compleet scharend gebit, d.w.z. de voortanden boven overlappen krap de voortanden onder en staan recht in de kaken.


Hals:
Gespierd, goed gebogen en vrij lang met uitgesproken, zij het niet overdreven wam (keelhuid).


Voorhand:
Goed naar achter liggende schouderbladen, schouders mogen niet beladen zijn. Voorbenen kort, krachtig en zwaar van bot, de ellebogen noch naar binnen noch naar buiten uitdraaiend, maar goed aanliggend tegen de zijden. Frontaal gezien: de onderarm licht naar binnen gebogen maar niet zodanig dat de vrije beweging wordt belemmerd of de voorbenen elkaar raken wanneer de hound staat of loopt, de voorborst krap passend in de gebogen voorbenen. Overknuckelen is hoogst ongewenst. Huidrimpels op de onderbenen.


Romp en schoft:
Lang en diep over de gehele lengte. Het borstbeen is opvallend, maar de borstkas noch nauw noch onnodig diep. Goed geronde wijdstaande ribben zonder dat ze uitsteken en goed naar achteren doorlopend. De rug is tamelijk breed en horizontaal met schoft en achterhand op ongeveer dezelfde hoogte alhoewel de rug ter hoogte van de lendenen licht gebogen mag zijn. De rug van schoft tot inzet van de achterhand (croup) niet te lang. Schoft hoogte 33 tot 38 cm.


Achterhand:
Zwaar gespierd en goed gerond, van achteren gezien moet de hound een rond aanzien hebben (appelvormig). De knieën moeten goed gehoekt zijn. De hielen zo laag mogelijk bij de grond en iets ondergebogen maar niet naar binnen of naar buiten gedraaid en juist onder het lichaam geplaatst in natuurlijke stand. Tussen hiel en voet kunnen rimpels voorkomen en aan het hielgewricht een huidzakje, gevormd door de losse huid.


Voeten:
De voeten zijn massaal met goed gekromde tenen (katvoeten) en van stevige voetzolen voorzien. De voorvoeten mogen recht naar voren staan of iets naar buiten gedraaid maar in ieder geval moet de hond zuiver recht staan, het gewicht gelijkmatig gedragen door de tenen met aangesloten voetzolen, zodat de afdruk van de voet gelijk is aan die van een grote hond en buiten de voetzolen geen deel van de voet de grond raakt.


Staart:
Goed aangezet, d.w.z. bij de aanzet duidelijk het verlengde van de ruggengraat vormend, tamelijk lang, dik aan de basis en spits toelopend met een matig grove beharing aan de onderkant. Als de hond loopt wordt de staart goed omhoog gedragen, licht gebogen (sabelvormig), echter nooit in een krul of vrolijk.


Gangwerk:
Het gangwerk is uiterst belangrijk. Een soepele gang, waarbij de benen goed uitgrijpen en de achterbenen een krachtig stuwende beweging vertonen en de hound zowel voor als achter recht gaat. Hielgewrichten en knieën mogen niet stijf zijn in de beweging en de tenen mogen niet slepen.


Vacht en beharing:
Glad, kort en dicht zonder fijn te zijn. Het algehele aanzicht van de vacht is glad en vrij van pluimen. Een langharige zachte gepluimde vacht is zeer ongewenst.


Kleur:
Meestal driekleurig, d.w.z. zwart, wit en bruin of rood en wit (tweekleurig), maar iedere erkende hound-kleur is toegestaan.


Fouten:
Iedere afwijking van bovenstaande moet als fout worden aangemerkt en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet.


Opmerking: Reuen moeten twee duidelijke normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.